Door Vacature op 12 oktober 2013

Doet dat er nog toe, zo’n verkiezingsprogramma?

De laatste tijd laat ik met regelmaat het woord ‘verkiezingsprogramma’ vallen, in grotere of kleinere gezelschappen. De reacties vallen grofweg in drie categorieën in te delen: gegaap, hoon en interesse. De laatste groep is het kleinst, en daar zitten dan ook nog mensen tussen die belangstelling veinzen omdat het hoort bij hun status als intellectueel.

Daar hoef je niet moedeloos van te raken, want de gapers en de cynici reageren zo op basis van een vooroordeel dat is opgehangen aan de verschijningsvorm: een lang en saai betoog, vol platgetreden paden en open deuren waar zo’n beetje niemand tegen kan zijn, gepropt in een document dat vrijwel iedereen meteen in de (digitale) prullenbak kiepert.

Vraag je vervolgens aan Teylingers of ze voor of tegen de komst van een megagrote Intratuin zijn, dan heeft iedereen een mening klaar. “En wat vindt de PvdA daarvan?”, vragen ze vervolgens. “Dat staat nou in ons verkiezingsprogramma”, antwoord ik dan. “Ja maar zijn jullie voor of tegen?”, wil men weten. “Die uitkomst is wel waar het om gaat”, zeg ik, “maar het is interessanter hoe we daar komen. Voor een politieke partij is een opvatting niet gratis: je moet er redenen bij doen die duidelijk maken waarom je die mening hebt. Anders verval je in gelegenheidsargumenten, zoals het populisme doet”.

En dan heb je vaak opeens een gesprek.

Deze week kregen we een brief van een van onze leden die ik ook onder dit thema schaar. Op grond van het discussiestuk over het verkiezingsprogramma ten behoeve van de ALV op 18 september merkte hij op dat we vooral ‘de landelijk politiek’ als uitgangspunt namen. Volgens hem moet in het verkiezingsprogramma ‘het lokale’ voorop staan.  Daar ben ik het hartgrondig mee eens. Maar zoals in de vorige alinea is gesteld: je opvattingen moeten niet (alleen) voortkomen uit opportunisme, maar ontleend zijn aan en ingebed in een maatschappijvisie.

Dat is niet zozeer iets ‘landelijks’, maar meer iets universeels. Een van de problemen van deze tijd is dat we vaak zo slecht weten waarom we eerder een bepaalde mening hadden, keuze maakten of actie ondernamen. Dat leidt tot warrigheid, incidentenpolitiek. Ook in zogenaamde analyses zie je geregeld dat vrijwel iedere maatschappelijke en historische context ontbreekt. Om gebeurtenissen van vandaag te verklaren kun je niet gemakkelijk heen om ontwikkelingen als de ontideologisering, het individualisme, het populisme, het consumentisme, de multiculturele samenleving, de financiële crisis, het afnemende vertrouwen in instituties. Dat is wel ingewikkeld, maar als je het achterwege laat krijg je een oppervlakkig beeld dat morgen alweer achterhaald blijkt te zijn.

Samen met Esther Fien, Elsbeth Koek en Gerrit van der Meer zou ik daar uren over kunnen praten op de avonden dat we bezig zijn met ons verkiezingsprogramma. Maar uiteindelijk moeten er straks (maximaal!) vier A4’tjes liggen waarin het lokale weliswaar voorop staat, maar tegelijk de moderne keuzes uit te leggen zijn aan de hand van universele sociaaldemocratische waarden. Daar komt nog de pragmatische maar daarom niet minder belangrijke opgave bij om het zo op te schrijven dat het ook wordt gelezen. Die vier A4’tjes zijn daar het symbool van.

Tijdens mijn particuliere onderzoekjes naar de status van het verkiezingsprogramma vraag ik ook of er een presentatie te bedenken is die ervoor zorgt dat men het gaat lezen. Daarbij krijg ik vaak terug dat zo’n standpuntenmatrix in de krant of in een aparte folder heel informatief is. En dus zal het door ons voorgestelde verkiezingsprogramma straks zo’n vorm krijgen: een algemeen beginsel → dat leidt tot een uitgangspunt voor de lokale politiek → dat leidt tot een concrete keuze of maatregel. En als het lokale ook letterlijk voorop moet staan, draaien we de volgorde gewoon om.